Rutsel - toponiemen

  

Naam:

 

Int Akert

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto die akart [Hs-4 (+/- 1380)]

 

ad locum dictum op Akert in loco dicto die snelvenne [Hs-4 (+/- 1390)]

 

twee streepen land int akart [BP 1190-182v (1417)]

 

akart [GVEIIE2-39 (+/- 1500)]

 

twee stucken in d’akert aent Snelven [GVE15-45 (1624)

 

lant de steen int aeckert [GVE2-120 (1702)]

 

‘t boekstuk bij akart [GVE13 (1792)]

 

de akert [kad. (1832)], [V.]; D 311-339 (bo: 15.29.70; wa: 25.60)

 

het akert [N (1839)]; D 339 (bo: 3.51.50)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Waarschijnlijk is akart en aeckert een samenvatting van aa-akkers

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

In ‘Akert’ is het bekende t-suffix herkenbaar als verzamelnaam van akker. De oudste vermelding van ‘akker’ komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw. Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze, maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.

In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark. Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland van een bevolkingsgroep.

In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van ‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of wallen. De scheiding tussen de percelen moest met ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In Belgische toponymische studies over het zuiden van het oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond het gebruik van de dorpsakkers in de zgn. dorpskeurboeken regels waren opgesteld.

Akker­namen komen in de cijnskring Helmond frequent voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-, flora- en faunana­men [re­dactie]. (Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3; Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2; Buiks 1983 dl.2:28)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 40, 47 en 48 waren gelegen int Akert. Akert was een aanduiding voor een groter gebied.

 

Opmerkingen:

 

De toevoeging of suffix –t maakt Akert een verzamelnaam voor Akker. Vergelijk berg => gebergte, beuk => Boekt

 

 

 

 

Naam:

 

Amer

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto den amer [Hs-9 )+/- 1385)]

 

op gheen amer [Hs-6 (+/- 1390)]

 

ad locum dictum die namer [Hs-144 (+/- 1500)]

 

eenen aabeempt ad locum dictum dem amer [Hs-6 (1519-1538)]

 

eenen aabeempt in den amer aan de aa [Mrv30-123 (1530)]

 

in den aeme [GSO-262 (1617)]

 

hoij en landt in den amer [GVE12-168v (1777)]

 

de amert [kad. (1832)]; N (1836, 1864, 1871, 1879, 1884, 1894); V.]; A 665 (w: 69,80) 865, 865 (w: 22.47.90), 936-978 (b: 5,94.29, w: 7.49.60, og: 1.09.18, hu: 7.92, tu: 5.50), 986, 987 (b: 69.70, og. 10.40)

 

 

Verklaring door Cornelissen:

 

De naam is momenteel (1955) nog bekend voor moerassig land op Dorshout. Uitgangspunt is het germ. + ami-. Dit germ. + ama, mnl. + ame, is overgeleverd in Amestelle, Amstel. Daarnaast is germ. + ami, mnl. + e. bewaard in de naam Eem, die aan verschillende wateren toekomt. Korte namen lenen zich bijzonder voor uitbreiding met suffixen en zo ontstond naast “eem” met s-suffix, een verlende vorm “eems”. (In de klassieke overlevering Amisia). Op soortgelijke wijze ontwikkelde zich met een –r suffix een germ. + amra, Hamer. Een Zuidnederlands (h)amer is door Lindemans verklaard als “nat land op de oever van een beek”. (Hs-6)

 

Gebied liggend aan de noordzijde van (het) Dorshout. Ook een perceel onder Eerde of Everse (Sint-Oedenrode), waarvan de ligging onduidelijk is, draagt de waarschijnlijk verwante naam “aemer”. Deze verklaring lijkt zeer plausibel, omdat de Amert bij Dorshout laaggelegen is en ook het gebied tussen Eerde en Everse plaatselijk drassig is, er lagen voorheen enkele grote vennen.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

In de literatuur zijn diverse verklaringen van ‘amer’ te vin­den. De meest waarschijnlijke lijkt: nat land op de oe­ver van een beek. Ook komt in aanmerking ‘werf langs een rivier’ of  ‘aanlegplaats van schepen’. In oorsprong zou het woord verwant zijn aan ‘ambra’ = nevel, water, rivier of ‘amra’ afgeleid van ‘ama’ met het suffix -ra, de naam van een natuurlijke waterloop. Eem en Amer zijn misschien wel wisselvoren voor het­zelfde water,  vgl. in Duitsland Ammer en Emmer. Oudere vormen als Ambra [amb - ara] wij­zen op Keltische of nog oudere afkomst. (Lindemans 1952; Buiks 1990:87; Gottschalk 1984:245; v.Berkel & Samplonius 1989:19; Moerman 1956:24,28;  Buiks & Leenders 1993 dl.5:636; Künzel 1988:66.)

 

Ligging:

 

Een deel van perceel nr. 38 (kadaster 1832, D261) werd Amer genoemd.

 

Opmerkingen:

 

Ook dit perceel was “nat land op de oever van een beek”. Deze Amer is door Cornelissen overigens niet gesignaleerd.

 

 

 

 

Naam:

 

Bageyne Stuck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Bageijne stuck int rutselt aen de speelheuvel [GVE12-165v (1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in het Rutsel. Een bagine is een begijn, zuster eener vrije geestelijke orde (Verwijs en Verdam). Vermoedelijk het gewezen eigendom van een begijn lekezuster: ofwel van een begijnhof. Begijn kan ook de banaming zijn voor een kloosterzuster in het algemeen. Derhalve kan het begijn(en)stuk eveneens het bezit geweest zijn van een klooster (Toponymie van Overpelt).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 27

Opmerkingen:

 

Een pudere vermelding: Goert soene wylen Lamberts soene Jans die Vriese man van Anne natuerlycke dochter wylen heer Lonis vander Horst heeft verkocht aan Hanricken soen wylen Jan Roeverss Hanricxs ‘een stuck lants’ genoemd dat Begynen stuck, groot ca. 1 ‘sesterze’, gelegen in Veghel int Russelt. (R23 fol. 264r-264v (30-01-1537)).

 

 

 

 

Naam:

 

Blauwe Steen

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De blauwe steen [RAV 157-67 (1691)]

 

eenen grooten ende verheven blauwen steen of sarck in een kelder daaronder in de groote kerck int coor van O.L. Vrouw, dienende tot grafsteen [RAV98-167 (1726)]

 

den morgen of den blauwen steen Vechel aen de Heeselar (leen van ’t leenhof ten Bogaerde te Dinther) [Mrv92-110v (1773)]

 

aen den blaauwen steen op de Hoge Boekt. [N. (1878)]; D 68 (b: 72.00)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Genoemd naar een blauwe steen, identiek aan de opgegraven Blauwe molensteen of Blauwe Kei steen.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 15. Perceel nrs. 19 en 20 lagen “aen den Blauwen Steen”

 

Opmerkingen:

 

De door Cornelissen vermeldde grafzerk heeft niets met dit toponiem te maken.

 

Ondergrondse kavelstenen dienden vaak als perceelsbegrenzing. Bovengronds werd boven die steen een tweede steen of verklikker geplaatst. (Frans Theuws en M. van der Heijden (redactie), Archeologie van de Brabantse Akkers, 141-142.)

 

 

 

 

Naam:

 

Aent Bloemengat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Dat blomenstuc in dat blomengat [BP1190-328 (1418)]

 

bloemengat (blommengat) russelt, hoge boekt [Hs- (1539)]

 

bloemengat (blommengat) [Hs- (1675)

 

bloemengat (bloemmengat) [Hs- (1703)]

 

5 ½ lant bloemegat [GVE12-86 (1778)]

 

bloemengat [N. (1838); D 29 (bo: 63.10)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Landerijen te Veghel aen de Boekt. Gat = synoniem voor moerassige plaats. Ook drinkplaats voor vee. Het woord kan verschillende betekenissen hebben: zeegat, geul door ondiepe gronden; kolk, visgat, wiel en ten slotte plas, ven. Dit woord is natuurlijk niet het got. gatwo, mnl. gate, Hgd. Gasse.

 

Perceel waar veel bloemen groeiden/geteeld werden. Mogelijk ook teruggaand op persoonsnaam Bloemen. Mogelijk ook afgeleid van bloem in de betekenis van bloesem, gewestelijk b.v. in Brabant (W.N.T.). Of van bloem, het fijnste van het meel, soms voorkomend als bloemen (W.N.T.)

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Men herkent dit element o.a. in Bloemenakker, waarmee een akker bedoeld kan zijn waar vroeger veel onkruiden voorkwamen waarvan sommige bloemen hadden, zoals bv. de bolderik, de gele ganzenbloem (door de boeren vaak goudsbloem genoemd), de korenbloem en de klaproos. Bloem of blom kan ook wijzen op het witachtig opdrogen van de grond nadat er geëgd was, het zgn. opzomeren. Bloemen kan duiden op bloeiende planten, maar ook overdrachtelijk gebruikt worden: mooi of goed.

 

Ook de familienaam Bloemarts of Bloemaerts of Blommarts komt in de cijnskring ver­spreid voor en kan aanleiding geweest zijn tot het ontstaan van dit element. (Goossenaerts 1956/1958; Buiks & Leenders 1993 dl.3:338; Beij­ers 1992:92).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 2b, 13, 14, 18-20, 25, 26, 28

Opmerkingen:

 

De naam lijkt gebruikt voor een groter gebied dan een of enkele percelen. Het waren beemden, dus laaggelegen natte percelen, wat de door Cornelissen voorgestelde verklaring voor -gat ondersteund.

 

Wat het eerste woorddeel “Bloemen-“ betreft, gaat mijn voorkeur gaat uit naar een afleiding van de persoonsnaam Bloemen, Blommen, die in Veghel voorkwam.

 

 

 

 

Naam:

 

Bloemenhof

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Aen die donck aen bloemenhof [Mrv30-56 (1584-1589)]

 

stucxken in den bloemenhoff [GVE15-95] (1624)]

 

den kleijne bloemenhof [GVE2-304 (1702)]

 

huys etc. genaamt bloemenhof, ter plaatse den blauwen steen [RAV98-167 (1726)]

 

landt en hoij ’t rijtje genaemt bloemenhof [GVE12-67 (1778)]

 

tegen sijnen acker den bloemhoff [GVC17 (1790)

 

bloemenhof [N. (1835, 1836, 1862, 1869)]; [V.]; D 4-11 (bo: 2.35.60), 13 (b: 71.20), 25 (b: 42.50), 28 (b: 89.10), 63 (b: 29.80), 626 (b: 1.04.20)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

De benoeming Bloemenhof geldt voor verschillende percelen, een op de Leest bij het oude zwembad, de andere grenzend aan het Bloemegat. Mogelijk is Bloemenhof in dit geval identiek met Bloemengat, evenals de Bloemenacker.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 12-15, 17

Opmerkingen:

 

Er werden geen percelen aangetroffen die zowel Bloemenhof als Bloemengat genoemd werden. Het Bloemengat waren laaggelegen beemden, de Bloemenhof een wat hoger en droger gebied, zodat deze veldnamen geen synoniemen zijn.

 

 

 

 

Naam:

 

Ten Bogart

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In bonis suis in Vechele dictis ten bomgarde [PGS (1334)]

 

Die hegecker te Vechel bij die hoeve ten bogaert [BP1195-155v (1425)]

 

huis, hofstad en hof geheten ten boghart in Vechel (vroeger van jhr Willem v.d. Bossche, ridder) tussen een straat en de egelkolkse beemd [BP1213-158 (1442)]

 

Die bogartsacker en die boghartshofstat [BP1212-186 (1442)]

 

hereditatem ad bona ten bogart [GVIE2 (1449)]

 

Verder enkele vermeldingen van boomgaarden die niet met dit goed in verband te brengen zijn.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benaming voor verscheidene percelen en voor de goederen “ten bomgarde” die volgens Meuwese al in bezit waren van de familie Van den Bossche en die bij het Havelt gelegen waren dd. 1375. Deze goederen behoorden niet tot de zgn. leengoederen, maar vormden een vrij eigen bezit van de voornoemde familie Van den Bossche.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Met fruitbomen beplante en omheinde weide bij het huis, die diende als weideplaats voor het jonge vee. Vele huizen kenden hun eigen boomgaard. In samenstellingen kan ook de identieke familienaam een rol spelen, bv. in Bogartsakker [redactie].

 

Cornelissen vestigde de aandacht op een andere verklaring waarin verondersteld werd dat ‘bogert’ te maken zou hebben met een schietterrein waar met bogen geschoten zou worden, afgeleid van ‘boog-gaard’.

 

Bogaard (bogert, bongert)-namen zouden voorkomen bij oude leengoederen, zoals ten Bogart onder St.Oedenrode, ten Bogarde bij kasteel Heeswijk en ten Boomgaarde of ten Boghart onder Veghel. (Molemans 1976:183; Cornelissen 1989:5.)

 

Ligging:

 

Ongeveer perceel nrs. 12-20 (de grootte van het goed zal door de eeuwen heen gevarieerd hebben).

 

Opmerkingen:

 

Mogelijk genoemid naar het Ridderhof Ten Bogaert te Dinther. Zie de beschrijving van dit goed.

 

 

 

 

Naam:

 

Boghartsacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Den groten pasbeemt, strekkende van die Aa tot die boghartsacker [BP1189-87 (1415)]

 

Die bogartsacker en die boghartshofstat [BP1212-186 )1442)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Waarschijnlijk behorende bij de goederen ten Bomgarde

Ligging:

 

Een deel van de Bloemenhof (perceel nrs. 12-15 en 17) want dat waren de enige akkers aldaar die aan de beemden grensden.

 

Opmerkingen:

 

Zie de beschrijving van dit goed.

 

 

 

 

Naam:

 

Bogaertstraet

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Land die merghengrave bij die boghartstraet [BP1202-289 (1432)]

 

die boogartstraet bij die pasbeemt [Hs- (1519-1538)]

 

boogaardstraat in russelt, nederbiest [Hs- (1530)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Wellicht een weg leidende naar het goed “ten Bomgart”. Hij moet via de Blauwe Steen, de huidige Blauwe Kei en het Russelt in de richting van het Havelt gelopen hebben.

 

Ligging:

 

Ter hoogte van de Bloemenhof en verder zuidelijk doorlopend tot aan het Rutsel.

Opmerkingen:

 

Zie de beschrijving van het goed Ten Boemgarde.

 

 

 

 

Naam:

 

Diegraef

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Land den Dyegrave [BP1189-87 (1415)]

 

de diegraeff [RAV158-36 (1730)]

 

den diegraaf [N. (1838, 1875, 1876); diegraaf [V.]; D 245, 247, 248 (b: 1.81.00), 249, 263 (b: 54.80).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Bouwland liggend in het Rutsel. Mogelijkerwijs is deze naam ontstaan uit een oorspronkelijke (maar nergens aangetroffen) hydroniem Diepgraaf. Er zijn aanwijzingen dat ter plaatse een oude Aabedding of aftakking van de Aa gelegen kan hebben. Deze is misschien oudtijds verder uitgegraven om als afwateringssloot dienst te doen.

 

De betekenis van “die” zou volgens Meuwese liggen in “diet” = volk, krijgsvolk. De naam kan aldus zijn gegeven aan een voormalige gracht ten dienste van het leger. (W. Cornelissen, 'Toponiemen nabij Scheifelaar', in: Ven Vehchele tot Veghel (1983) 56.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 41-44, 48

Opmerkingen:

 

Rolf Vonk vond: Arnold van Beke, zoon van Arnold, poorter van 's-Hertogenbosch legateert aan de Tafel van de Heilige Geest in 's-Hertogenbosch erfpacht uit woningen van Dirk Writer, zoon van Dirk, met toebehoren in Veghel, onder andere Die Diegde Grave in Die Russel. (Archief van de Illustre lieve vrouwe broederschap in 's-Hertogenbosch, (1291) 1318 - 1993 (1998), regest 156, 10 oktober 1382, origineel in inv. nr. 164, fol. 13v-14v).

 

Zie de toelichting.

 

 

 

 

Naam:

 

Eghelkolckschen beempt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Beemd den egelkolc te Vechel strekkende van die Aa tot die boghartsacker en die boghartshostat [BP1212-186 (1442)]

 

Huis etc. ten Boghart tussen een straat en die egelkolkse beemd [BPI212-186 (1442)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in het Rutsel. Het eerste lid zal een spellingsvariant zijn van “eche” (zelden egel) 1) bloedzuiger (W.N.T. -3757)

Ligging:

 

Perceel nr. 21

Opmerkingen:

 

Eghe- is afgeleid van een oud woord voor hoek. Dit woord komt ook voor in de naam van de nabijgelegen beemd “Dooleg” (deel Schijfelaar) De latere naam van deze beemd was Hoecxbeemt. De Kolk zal verwijzen naar de daar gelegen Zandwiel.

 

Zie de beschrijving van het goed Ten Boemgarde.

 

 

 

 

Naam:

 

Everts Acker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

in Eversacker aant bloemegat (heselaar) [GVE-69 (1702)]

 

Cornelissen vermeldt verder nog een everse acker onder Eerde en Frederick Everslabt op het Havelt.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging onduidelijk, waarschijnlijk in het Zeelsatje, nu het westelijke gedeelte van de wijk het Zuid ter hoogte van de Dr, Schaepmanlaan. Get eerste lid zal een persoonsnaam zijn.

Ligging:

 

Perceel nrs. 25, 26

Opmerkingen:

 

Deze percelen waren in 1657 eigendom van PRIVATE Everaert Aert Everts.

 

 

 

 

Naam:

 

Grootvaijers beemt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Grootvayersbeemt / grootvadersbeemd [RAV158-80 (1729)]

 

een beemd alhier agter de straat grootvaijersbeemt [RAB102-217v (1748)]

 

grootvayers beemt [GVE12-81 (1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. De volkshumor bedoelde met grootvader de gemeente, die het perceel in eigendom had. Mogelijk ook “beemd van grootvader afkomstig.”

 

Ligging:

 

Deel van perceel nr. 4 en perceel nr. 5 en 6

Opmerkingen:

 

Voor zover onderzocht (percelen nrs. 4 en 6 terug tot 1702 en perceel nr. 5 terug tot 1657) was de beemd in handen van particulieren, niet van de gemeente.

 

 

 

 

Naam:

 

Aen den Hegacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Die hegecker te Vechel bij die hoeve ten bogaert [BP1195-155v (1425)]

 

de hegakker, nederbiest [Hs- (1537)]

 

d’lant in den hegacker [GVE15-71] )1624)

 

landt vant afgebroke erf op den hegacker [GVE12-67 (1778)]

 

genaamd den hegakker, te Veghel aan het hezelaar [N (1830)]; hegakker [V.], D 66, 67 (b: 1.9070), 68, 70-72, 97, 98 (b: 2,27.01; hu: 6.50; w: 36.40)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

‘Hegge’ betekent primair heg, haag, omheining van levend hout in de vorm van eik, berk, els en wilg. In veel gevallen is de naam overgegaan op afzonderlijke percelen. (WNT dl.6:433/34; Kiliaan 223; Molemans 1976:489).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 13-15 lagen aen de Hegacker

Opmerkingen:

 

De Hegacker lag aan de overzijde van de weg. Mogelijk was deze akker ongeven door een heg.

 

 

 

 

Naam:

 

Hoecxbeemt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In den hoecks beemt (straat) [GVE-72 (1702)]

 

hoekse beemt int bloemengat [RAV160-88v (1770)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging, waarschijnlijk in het gebied het Zeelstje nabij de kom van het dorp. Benoeming naar de ligging nabij of in een hoek.

Ligging:

 

Perceel nr. 21

Opmerkingen:

 

De hoek verwijst naar de bocht in de Aa. De eerdere naam was Eghelcolckssche beemt.

 

 

 

 

Naam:

 

De Hooge Vonder, de Oude Aavonder

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Den hoogen vonder, geleghen aen die leest [GVIB22 (1807)]

 

Eenen beemt hoijlants en geregtigtheden sijnde ¼ part genaemt in den Amer, genaemt oude Aa beemt, gelegen aan de oude aa vonder, groot omtr. twee karren hoijgewasch [RAV110-91 (1789)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Hoogen Vonder: Onbekende ligging op de Leest, mogelijk identiek met de Mestbrug; mogelijk werd de laatste gebouwd ter vervanging van de eerste die niet meer in goede staat zal zijn geweest, benoeming naar de hoogte.

 

Oude Aa Vonder: Onbekende ligging in de amer. Vonder = brugje over een beek (oude aa) (Goosennaerts, 843).

 

Vonder of vondel is een smal brugje, meestal een plank dienstig als voetbrug. (Top. Neerpelt -64, 65)

 

Ligging:

 

38 lag aan de Hooge Vonder, ofwel Oude Aavonder

Opmerkingen:

 

Over de Aa lag een Vonder, die de Hooge Vonder genoemd werd (in 1792), of ook wel '' (in 1775). In de winter 1798-1788 spoelde de Hoge Vonder weg, waarna er in 1799 een mestbrug gebouwd werd. R115, fol. 111 (5-12-1799)

 

De Hooge Vonder en Oude Aa Vonder waren identiek. Vanwege het toponiem Amer plaatst Cornelissen de Oude Aavonder ten onrechte in het Dorshout. Het toponiem Amer kwam echter op meerdere plaatsen voor.

 

 

 

 

Naam:

 

Jan Ariens Streep

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 31

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaar.

 

 

 

 

Naam:

 

Kerckenacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Binnen der prochie van Vechel ter plaetsen genoemt int russelt groet tsaemen omtrent een mauwersaets mitten eenre syden neven den laerecker ende mitten anderen syde neven den kerkecker toebehorerende der vicarien van Vechel, streckende mitten enen eynde op die gemeyn straet en mitten anderen eynde op een gemeyn laeck comende uuyter aa [GVIDI (1541)]

 

een parceel land in vier stukjes gelegen alhier op de Boekt sijnde het land genaamt denm halven kerke acker, groot omtr. derdalff l., een eijnde de rivier de Aa [RAV112-87 (1796)]

 

Cornelissen vermeld ook nog een Kerkakker aan de Lage Hei.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in het Rutsel, op de Boekt, aan de Aa, en mogelijk nog op andere plaatsen, Benoeming naar de eigenaar.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 28 en 30

Opmerkingen:

 

Deze akker was eigendom van de kerk van Veghel

 

 

 

Naam:

 

Kruisstraat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cruysstraat [Hs- (1561)]

 

cruysstraat [Hs- (1600)]

 

lant het braakje aen de cruysstraet [GVE12-75 )1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Oude benaming voor Molenstraat, Molenwieken (anno 1700). Benoeming naar een wegkruising of (veld)kruis (M. Top. Valk. -180).

Ligging:

 

Perceel nrs. 2 en 4 grensden aan de Kruisstraat

Opmerkingen:

 























Op deze kaart zijn de percelen aangegeven waarvan de bronnen vermelden dat ze 'aen de Cruijsstraet" lagen. Daaruit blijkt dat de oost-west lopende weg in het verlengde van de Straet Cruijsstraet geheten zal hebben. Als ook de noordelijke delen van de (voormalige) Bogaertstraet en Erpse Dijk ook Cruijsstraet genoemd werden, zouden drie verschillende wegen dezelfde naam gehad hebben, wat erg ongebruikelijk zou zikjn. Ik denk dat de naam "aen de Cruijsstraet" ook gebruikt werd als globale plaatsaanduiding voor percelen die niet ver van de eigenlijke Cruijsstraet vandaan lagen.
 

 

 

 

Naam:

 

Laaracker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

V an die Aa tot die laeracker [BP1189-87 (1146)]

 

een stuk bouwland geheten den lairacker, hoge boekt [BP1237-163v (1468)]

 

ex laeracker [HH133 (1507)]

 

int russele bij die laerecker [Hs- (1519-1538)]

 

de laeracker in die aeckerse thiende [Mrv-93-67v (1668)]

 

den laeracker met de kerckegifte ’t regt van patronaetschap ende het patronaetschap van Vechel anno 1720 [GH25a (1747-1796)]

 

Den groten laaracker [GVE12-350 (1778)]

 

de laarakker [N (1835), V.-]; D 254 (b: 2.11.00), 254-256 (b: 3.18.90)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in het Rutsel, nabij de mestbrug. ongeveer ter plaatse van winkelcentrum het Boekt. De kerkgifte en het patronaatschap gaan terug op de stichting van een kerk. De stichter van een kerk, of dat nu een kapittel, een abdij of wereldlijk heer was, oefende het patronaatschap uit. Hij had uit dien hoofde recht op inkomsten van de kerk maar de plicht voor het onderhoud en eventueel herstel te zorgen. De patroon hd bovendien de kerkgifte. Dat wil zeggen, hij had het recht om iemand voor een parochie of beneficie voor te dragen en hem met de inkomsten van de kerk of van het beneficie te begiftigen.

 

Het was een akker van 10 lopens (leupense); één lopens (verkort uit lopensaet) is een stuk land, dat men kon bezaaien door é’en keer met voorschoot of zaadmandje rond te gaan. De akker ligt tussen de Aa-brug en de Mestbrug.

 

Van het toponiem laar werd nog geen algemeen bevredigende etymologische verklaring gegeven. Enkele naar voren gebrachte betekenissen zijn: 1) open plaats in een bos; 2) plaats waar men hout kan lezen; 3) moerassig bos. Volgens Van Passen blijkt een laar in de Kmepen over het algemeen de betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond, waarop men het vee liet grazen. (M. Top. Neerpelt, -143-144)

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en minder­waardig grasland, waar men de dieren liet grazen en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief benut bos onder.

 

De Bont prefereert de betekenis van omheind terrein, anderen die van een open plek in het bos waar hout gestapeld en gehaald kan wor­den. Roelants wijst erop dat er van de 14de tot de 16de eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan. Dittmaier neemt als betekenis ‘omheining’ over, maar voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv. een groene haag, maar een van planken en balken, die vooral berekend was op kweekdieren.

 

Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse voorbeelden te geven van oorspron­­kelijke laar-namen die evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer > Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer > Geelders, Hollaer > Holder etc. De familienaam ‘van Elderen’ verklaart hij  als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in oorsprong laar-namen geweest kunnen zijn.

 

Volgens Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen vooral voor buiten de bevol­kings­concentraties die hij voor het Maas-Demer-Schel­degebied heeft uitgekarteerd. De laar-namen zouden volgens hem in verband gebracht kunnen worden met vochtige, natuur­lijke omstandigheden. De ma­croregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat laar-namen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd en dat ze een latere fase van verdere of interne kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de laar-namen een jongere namenlaag en derhalve jongere bewoning.

 

De Bo geeft voorbeelden afgeleid van boom-namen zoals Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, No­te­laar e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd dan ‘hla­r’. Het gaat dan om een verwijzing naar een oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie.

 

Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid aangege­ven, maar juist een oude vorm van menselijke ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen- en moerasindicator terughoudend worden gebruikt.

 

De Bont ver­on­derstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen van akker­tjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de ‘laren’, als uit­gangspunt hebben gediend. Door het kappen en plat branden van delen van het bos werd een geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn bosbegroeiing beroofd. (Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969 dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45; Roelandts 1946:­41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442; de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws 1988:181).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 32

Opmerkingen:

 

Zie de bespreking van de Laaracker.

 

 

 

Naam:

 

Meriken Greven beemt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Deel van perceel nr. 4

Opmerkingen:

 

Genoemd naar de naam van een eigenaresse.

 

 

 

Naam:

 

Mestbrug

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Mestbrug [WKV (1816)]

 

de mestbrug (kad. (1832); N (1979)]; D 425, 426 (bo: 1.17.70)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Dit is vanouds de benaming voor het smalle bruggetje over de Aa, nabij het tegenwoordige Biesboschpark. Men zal de brug zo genoemd hebben, omdat vanaf de Leest, waar veel boerderijen stonden, mest vervoerd werd naar de bouwlanden aan de overzijde van de Aa, zoals het Rutsel, het Akert, de Ronde Bult, enz.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 49 lag nabij de Mestbrug

Opmerkingen:

 

Over de Aa lag een Vonder, die de Hooge Vonder genoemd werd (in 1792), of ook wel '' (in 1775). In de winter 1798-1788 spoelde de Hoge Vonder weg, waarna er in 1799 een mestbrug gebouwd werd. R115, fol. 111 (5-12-1799)

 

 

 

 

Naam:

 

Aen de Oude Aa

Vermeldingen door Cornelissen:

 

D’eckerken aen d’aude aa [GVE15-46 )1624)]

 

landt int rutselt aen de oude aa [GVE12-120 (1778)]

 

eenen beemt gelegen opt Havelt aen de oude Aa genaemt den ouden Aabeemd, een eijnde de Aa [RAV112-346v (1802)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op het Havelt en in het Rutsel nabij de Mestbrug. Ook in het gebied de Aa-broeken is nog een afgesneden kronkel van de Aa bekend als de Oude Aa.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 38-40

Opmerkingen:

 

De naam suggereert dat daar ook ooit sprake geweest moet zijn van een andere loop van de Aa, maar historische gegevens daarover ontbreken. Zie de toelichting.

 

 

 

 

Naam:

 

In den Oude Aabeemt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Oude aabeemt, beemt agter de straat [GVE13 (1792]

 

eenen beemd gelegen opt Havelt aan de Oude Aa genaemt de ouden Aabeemd, een zeijde de Aa [RAV112-346v )1802)]

 

een perceel hooibeemd gelegen te Veghel aan de mestbrug genaamd den oude aabeemd [N (1825)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 38

Opmerkingen:

 

Beemd aan de Oude Aa. Zie de toelichting.

 

 

 

 

Naam:

 

De Oude Aastraat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Den digraaf belendt de oude aastraat [Mg25a-96 (1684)]

 

lant de braak aen de oude aastraat [GVE12-209 (1777)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging aan het Rutsel, nu ten westen van winkelcentrum de Boekt. Mogelijk is deze benaming te interpreteren als oude straat lopende langs de Aa of langs de Oude Aa. Van deze oude Aa (in de zin van oude, verlaten rivierbedding) op het Russelt is echter niets meer bekend. Wel is vast te stelen, dat de omtrek van het gebied het Rutsel aanzienlijk lager is gelegen dan het centrum ervan, zodat het niet onmogelijk lijkt dat in oude tijden de rivier zich oostelijk om het Rutsel heen kronkelde. Ook het toponiem Diegraaf, voor een perceel op het Rutsel, grenzend aan de Oude Aastraat, wijst op de aanwezigheid van een waterloop.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 44 grensde aan de Oude Aastraat

Opmerkingen:

 

De weg is genoemd naar de Oude Aa. Zie de toelichting.

 

 

 

Naam:

 

Over d’ Aa

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen vermeldt alleen het leengoed Overaa (gelegen aan de Hoogeinde).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Wellicht naar een ligging “over’ de Aa.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 41, 49

 

Opmerkingen:

 

Aanduiding van goed dat aan de overkant van de Aa lag. In dit geval betekent het dat de eigenaars aan de Zijtaartse kant van de Aa woonden.

 

 

 

 

Naam:

 

Pasbeemd

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Beemd in die pasbeempt [BP1216-241v (1440)]

 

de pasbeemt in russelt [Hs- (1534)

 

Den groten pasbeemd, strekkende van die Aa tot die Boghartsacker (BP1189-89 (1646)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in het Rutsel. Op het lat. pascere, pascuum “weide” gaan de pes- en pa(a)stoponiemen terug die voornamelijk in het oosten van het land en in het Rijnland voorkomen. Normalerwijze beemd.

 

Het eerste lid is wellicht een persoonsnaam, vgl. Johanna van der Pasch, 1859 (Kl. V.).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Pas, in oudere vormen pasch / pesch en als diminutief ‘peske’, is een afleiding van het lat. * pascuum = weide. Volgens Linde­mans gaat het om een open weiland in woest veld met hier en daar kleine bosjes en bomengroepen, maar is er in enkele gevallen het mnl. pas of passe = doorgang, toegangsweg, verbindingsgracht in te herkennen.

 

Volgens Hol zou het woord ontstaan zijn in de omgeving van Trier en via Keulen Limburg en Brabant bereikt hebben en later de oostelijke provincies. In het gebied van de grote rivieren is ‘pas’ in gebruik in de beteke­nis van een perceel land met rijen populieren of wilgen bezet. (Moerman 1956:180; Schönfeld 1980:21; Lindemans 1945:298; Hol 1963:165; v.Berkel & Samplonius 1989:146.)

 

Ligging:

 

Op grond van oude beschrijving mag geconcludeerd worden dat de Pasbeemt een oudere naam is voor de Streijpenbeemt. Zie de beschrijving van het goed Ten Boemgarde.

 

Opmerkingen:

 

Rolf Vonk vond: Henrik Boricman, zoon wijlen Henrik Boirtman van Veghel, heeft verkocht voor schepenen van 's-Hertogenbosch, aan Margaretha, dochter wijlen Henrik de Oirscot, weduwe Godfried van Derenscheren: een erfpacht uit land Rullenscut op de Rulse Strepen en uit rrn perceel wei de Pasbeemd in Veghel. (Archief van het Klooster Het Hollandse Huis bij Geertruidenberg, regestnr. 450, 30 maart 1401).

 

Ygram soene wilneer Willems van Achel heeft opgedragen en overgegeven aan Wouteren Willem Wouterssoen ‘enen bempt’, geheten den Paessbempt, gelegen in Veghel int Russelt

-              e.z.: het goed van de erfgenamen van wijlen Aert Pauweeter

-              a.z.: het goed van de erfgenamen van wijlen Matheeus van Berse soene Aelberts van Berze

-              e.e.: het goed van Willem Pynappel

-              a.e.: de Aa

R23 fol. 156v (24-01-1534)

 

 

 

 

Naam:

 

Rietbeemd

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De rietbeemd, havelt, beemden agter de straat [GVIIE13 (1792)]

 

een perceel beemd gelegen te Veghel agter de straat genaamd den rietbeemd [N (1824)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging aan het Havelt en nabij de Straat (Hoofdstraat) in de dorpskom, Benoemd naar de begroeiing.

Ligging:

 

Perceel nr. 37

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Roeff Jan Deenen beemt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

Verklaring door Cornelissen:

 

-

Ligging:

 

Perceel nr. 4

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaar.

 

 

 

Naam:

 

in het Russent, in het Rutsel

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto in die russelt [Hs- (1390-1395)]

 

ex strepa sita in russent [HH128-25 (1471)]

 

ex strepa in russent [HH133-40 (1507)]

 

rutselt naast laarakker [Hs- (1530)]

 

bloemengat, blommengat, russelt, hoge boekt ;Hs- (1675)]

 

het lant int kleijn russelt (hoog eynde) [GVE2-205 (1702)]

 

het lant int lanck russelt [GVE2-82 (1702)]

 

landt int rutselt aen de oude aa [GVE12-120 (1778)]

 

het rutsel [kad. (1832)]; D 242-263

 

bouwland in het rutselt [N (1863) D 242 (b: 1.10.00)]

 

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggende bij de mestbrug, aan de oostzijde ervan. Etymologisch woordenboek, Jan de Vries, blz. 398: Rut 1) onkruid, ruigte aan waterkant, 2) b.n.w. sedert 1573 bekend, met dialectische bijvormen, rutte, ruttes, ruts, rits. Misschien een affectie bijvorm van rot?

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Russen of graszoden, een biezensoort, is het primitieve mate­riaal waarmee de woningen werden opgetrokken. Het kan ook de betekenis hebben van gagelland = slecht weiland. (Mennen 1992:111; Schönfeld 1980:69).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 6, 27-29, 33, 35, 36, 40-46, 49

Perceel nrs. 42-43 werden de Lange Russelt genoemd

Perceel nr. 36 werd int Kleijn Russelt genoemd

 

Opmerkingen:

 

Het Kleijn Russelt lag niet op het Hoogeinde. De bron vermeld het Hoogeinde als plaats waar de eigenaar woonde, niet waar het perceel lag.

 

Het Russelt was van oudsher een gebied dat nagenoeg overeen kwam met de klamp Het Rutsel op de kadasterkaart van 1832.

 

De oudste vormen zijn russent en russelt. In de oudste vermeldingen ontbreekt de –t van rut, zodat de verklaring vanuit rut niet voldoet. De suffix –t maakt het woord een verzamelnaam of collectief van russen- of russel-. Wat dat betekent is nog onduidelijk.

 

Russel lijkt eerder uit Russen te evolueren dan andersom. Vergelijk met de evolutie van de familienaam Asseldonk uit Astendonk => Assendonk en Asteldonk => Asseldonk.

 

 

 

 

Naam:

 

In de Russeltse tiende

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Thienden, ackerse, hamse en russche [Hs- (1747)]

 

rutselse tiende [RAV159-208v (1757)]

 

het russelt grenzend aan de laarakker de russelse tiende [Mh- (1954)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging waarschijnlijk globaal overeenkomend met het Rutsel.

Ligging:

 

Perceel nrs. 31, 34, 39, 49

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Speelheuvel

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Ad locaum dictum speelhoevel [Hs- (+/-1385)]

 

den nederacker ad locum dictum den speelhoevel [Hs- (+/- 1480)]

 

int russelt by die laerakker en speelhoevel [Hs- (1519-1538)]

 

den speelheubel [GVE15-112 (1624)]

 

nageyne stuk int rutselt aen de speelheuvel [GVE12-165v (1778)]

 

eenen acker teulland gelegen in veghel int rutselt genaemt de speelheuvel, groot omtrent 6 ½ l., een eijnde de straet [RAV112-310 (1801)]

 

de speelheuvel in het Rutsel [N (1870)]; D 243 (b: 40.30)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in het Rutsel. Een perceel waar veel gespeeld werd (foor kinderen?) Zoals bij speelhof, tuin, dien men er voor zijn genoegen op na houdt; buitentuin, buitenverblijf (W.N.T. -2717). Ligging aan een kleine verhoging in de bodem.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Dit element komt voor in Speelberg, Speelheuvel e.d. Er bestaan t.a.v. het toponiem Speelberg diverse hypothesen. Speelbergen zouden plaatsen zijn waar op bepaalde tijdstippen een soort volksspelen werden gehouden.

 

Andere auteurs menen dat het gaat om oude gerechtsplaatsen, afgeleid van het ohd. ‘spel’ = gesprek, verhandeling, beraadslaging of van ‘spile’ = spitse, puntige staven waarmee gerechtsplaatsen konden worden afgezet of omheind.

 

Ook is gedacht aan een afleiding van het lat. * specula en een speel­berg zou dan een berg zijn van waar men de omgeving kon afspieden, een soort wachtheuvel.

 

Dittmaier zoekt het element ‘speel’ in de richting van ‘kirchspiel’, ndl. kerspel en ‘dingspiel’, met de betekenis van ‘menigte’ en ook grondgebied of landstreek.

 

Bij Speelheuvel, met oudere varianten als ‘Spoel­hovel’ of ‘Spuelhoe­vel’, is een verband met het mnl. spoel = spoelwater en het ww. ‘spoelen’, dialektisch ‘spuelen’, niet uitgesloten. Men kende vroeger zgn. spoelkuilen waarin het groenvoer voor de dieren werd gespoeld. Mogelijk zijn derge­lijke kuilen ook gebruikt voor het spoelen van de schapewol. Later gingen ze misschien dienst doen als brandkuilen. Dubieus is de relatie met ‘spelde’, waarmee mogelijk het mnl. speldorn = witte haag­doorn of meidoorn is bedoeld.(Bach 1963 dl.2:72; Dittmaier 1956; Helsen 1978:91; Buiks & Leenders 1993 dl.6:803; Mennen 1992:278).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 45, 46 . Perceel nr. 27 grensde aen den Speelheuvel

 

Opmerkingen:

 

De associatie met de plaats waar recht gesproken werd (bijvoorbeeld door een heer over zijn horigen) krijgt enig steun in het gegeven dat nabij de Speelheuvel bij het Oude Kerkhof vermoedelijk de eerste Veghelse kerk stond, die door een plaatselijke aanzienlijke gesticht zal zijn. Op het Middegaal komt de veldnaam Speelveld voor.

 

 

 

 

Naam:

 

Streepje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel: Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element ‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk, vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen. (Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 29, 31, 33

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Streijpen Beemt

 

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Bloemenhoff naast strijpenbeemt aan blauwe steen [RAV157-67v (1690)

 

een hoyveltje in streijpenbeemt [GVE12-67 (1778)]

 

de strepenbeemd aan het zeelstje [N (1822)]; D 20, 21 (ho: 54.40)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging aan het Zeelstje, tevens onbekende ligging aan het Hezelaar. Het eerste lid zal de genitief zijn van een persoonsnaam vgl. Johanna Jacoba van Strijp 1890 (Kl. Bev. V.).

Ligging:

 

Perceel nrs. 7-11 en 16. Perceel nrs. 11 wordt de Voorste Streijpen Beemt genoemd

 

Opmerkingen:

 

De vroegere naam voor deze beemd was waarschijnlijk Pasbeemt. Genoemd naar Aert van Strijp die de beemd in de eerste helft van de zeventiende eeuw bezat.

 

 

 

 

 

Naam:

 

Thomas Abrahams Cloot, Abrahamskloot, Cloot

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Lant de cloot in de russelse hoeve [Mrx91-2v (1713)]

 

Abrahamskloot – russelt, landmeting 1791 [GVE-13 (1792)]

 

een perceel teulland gelegen binnen de gemeente van Veghel in het rutsel genaamd aberamskloot [N (1824)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in het Rutsel. Benoeming naar persoonsnaam Abrahams, of mansnaam Abraham. “Kloot” duidt op de ronde vorm.

 

Mndl. vloot, ablautend verwant met kluit betekent in de eerste plaars klomp, kluit, bol, onder meer van aarde, klei, turf (M. Top. Neervelt, -199).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 34

Opmerkingen:

 

Perceel nr. 34 is eerder rechthoekig dan vierkant of rond. Misschien heeft cloot de betekenis van bolle akker, dus met een verhoogd middengedeelte en aflopend aan de randen.

 

 

 

 

Naam:

 

Zandwiel

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Op den hoek van de sandwiel [GVIIB26 (1785)]

 

de sandwiel [N (1885), V.]; D 420, 421 (w: 44.50)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Dit was de benaming voor een scherpe lus in de rivier de Aa en aanliggende percelen in het gebied de Bruggen, ongeveer waar zich nu de brug bevindt die de wijken Zuid en De Leest met elkaar verbindt. Wellicht werd in deze scherpe bocht veel zand afgezet.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Wiel, weel en waal zijn gebruikelijke benamingen voor kolken, waterplassen gevormd bij dijkdoorbraken en bij de uitstroom van watermolens. (Buiks & Leenders 1993 dl.2:72.)

 

Ligging:

 

Zie kadasterkaart, ter hoogte van perceel nr. 27.

Opmerkingen:

 

Rolf Vonk: de term 'wiel' werd (met uitzondering van de verschillende watermolenwielen) bij Middelrode drie keer gebruikt wordt om de uitgesleten bochtige hoek van de Aa aan te geven. Nabij kasteel Seldensate 'Duivenwiel' en 'Kromme Wiel', en nabij Assendelft als 'Spieringswiel'. Zandwiel kan dan denk ik het beste gezien worden als een verzande bocht in de Aa.

 

 

 

 

 

Naam:

 

Zilske, Ceel stuxken

 

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Een stuck ackerlant genaampt het silstken gelegen tot Vegchel int russelt 9N (1655)]

 

stukje lants genaamt het zilske [RAV100-76 (1733)]

 

het zeelstje een klein loopense (leenhof ten bogaerde dinther), [MrV92-121 (1781)]

 

een parceel teulland en groescanten int Russelt op de Boekt genaamt het Zilske, groot ontr. 3 l. een sijde ricier de Aa [RAV112-324v (1801)]

 

het zeelstje [kad. (1832)]; D1-44;

 

het zilstje [N (1841)]; D17-19 (ho” 70.80)

 

het silstje [N (1843)]; D 39 (b: 41.50)

 

het silstje [N (1847)]

 

het zeelstje [V-]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend aan de oostelijke oever van de Aa vanaf de markt tot aan de brug tussen Veghel-Zuid en De Leest, aan de oostzijde begrensd door de Blauwe Kei en Dr. Schaepmanslaan. Wellicht ontstaan uit zille “landmaat” diminutief. Ger, salli- m. “uit één ruimte bestaand huis”, (Gysseling, -1100).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Zeel zou verband houden met het mnl. sijl, zijl, ziel, sile = waterloop(je), waterlaat of afwateringssluis.

 

Zijl kan de betekenis hebben van een duiker, waardoor twee waterlopen elkaar op verschillend niveau kunnen kruisen.

 

Van Loon geeft een voorbeeld van ‘t Zijl bij het kasteel van Wouw waar sprake was van een con­structie die moest verhinderen dat het water van de kasteelgracht of -vijver via de Smallebeek zou wegstromen.

 

Ook wordt een afleiding gesuggereerd van het mnl. seel = touw, waarbij men denkt aan een lang­ge­rekt perceel, een vormaandui­ding. Of betreft het een verwijzing naar de touwslager die vroeger zeeldraaier werd genoemd ? Deze laatste verklaring geeft van Berkel als hypothese bij de bespreking van Zeilberg, omdat er sprake is van een combinatie met ‘berg’. Volgens hem was het voor het draaien van touw nodig dat men vanwege de lengte van de touwen beschikte over hoger gelegen plaatsen zoals heuveltjes of oplo­pend terrein.

 

Niet uit te sluiten is een vervorming van ‘zil’ of ‘zille’, een landmaat. In Vlierden werd het percelencomplex wat uit zillen bestond omgedoopt in ‘de Zeelen’ [redactie]. Wellicht bestaat er ook een verband met het mnl. sel of zel: derrie, darink of de as daarvan waaruit men zout kon stoken. In het westelijk deel van Brabant werd inderdaad veel zout uit deze darink gewonnen. Met dit produkt kon men de akkers bemesten.(v.Berkel & Samplonius 1989:208; v.Loon 1965:105; Schönfeld 1955:32; Buiks 1983 dl.8:119).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 23, 24, 26

Opmerkingen:

 

Perceel nr. 24 geeft als variant Ceel stuxken (1702), wat wel de oorsprong van deze naam zal zijn.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Rutsel