Wielrot - toponiemen

Naam:

 

Bontwercker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Bontwerkersakker in wielrothse tienden [Hs- (1547)];

 

acker genaemt de bontwerker [HHI47-43 (1621-1691)];

 

uyt eenen acker genaemt den bontwerker [HHI63-56 (17141783)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in de Wielrotse Tienden die Meuwese situeert in de Doornhoek onder Zijtaart.

Afgeleid van persoonsnaam vgl. Willem Willem (die) Bontwercker 1447.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 2 en 3. Perceel nr. 3 heette ook wel de Bontacker, en perceel nr. 4 lag “Aan den Bontwerker”.

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Dennenhof

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Landt den dennenhof in Valstraet [GVEI2-71 (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in de Valstraat, de vroegere weg van Veghel naar Zijtaart.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 10

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

aan de Donk

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Van enen .... erfft aen ghene donck ende in die prochie van Vechel [GVIE2 (1424)]

 

donc [GVE2-39 (± 1500)]; de donck, donk, over de brugge aan de leest [RAV157-67v

(1690)

 

huys hof en aangelegen erff 8 1. te Vechel aen de donck en 50 r. aen den

hulserdonck [Dom. l71 (1731-1756)]

 

land in de donk [GO (1754)]

 

de donk [N. (1835, 1871)], [V.]; D 627, 629 (b: 1.34.40), F 898 (b: 45.60).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Donk "lichte ophoging in een depressie".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Waar ‘donk’ zonder bepaling voorkomt wordt het met het lidwoord gebruikt: bv. ‘op de Donc’. Men treft het vrijwel steeds in samenstellingen aan. Over de betekenis is een zekere consensus bereikt. Gijsseling denkt aan een zandige opduiking in een moerassig terrein en gaat uit van een afleiding van ‘dunga’. Bach spreekt van een ‘flache Erhöhung, Sandbank im sumpfigen Gelände’. De Kempische donken zijn oorspronkelijk gelegen in een broek of moerassige laagvlakte met één zijde op een beek of rivier. Het waren over het algemeen uitgestrekte verhevenheden, bewoond of geschikt gemaakt voor kolonisatie. In de bepalingen die bij het woord voorkomen schijnt vaak een diernaam te schuilen of een verwijzing naar de plaatselijke begroeiing, uiterst zelden een persoonsnaam.

 

Mansion verklaart de oorsprong van ‘donk’ uit de ondergrondse kuil die bij de Germanen als winterverblijf diende voor wevers of ook als vrouwenverblijf en die van buiten werd bedekt met mest om de kou te weren, zodat deze kon uitgroeien tot een kleine heuvel. In de Baronie blijken donken weide- of beemdgebieden te zijn. De meeste donknamen komen ten zuiden van de grote rivieren voor. Soms slijt het element af: Spordonc > Sporing, Spoerdonc > Spoeling, Boedonc > Boeding, Beersdonk > Beersing. Van Osta is van mening dat er onvoldoende topogra­fische en etymologische gronden zijn om het woord te verklaren als ‘hoogte’. Volgens hem wijst microtoponymisch onderzoek in de richting van ‘laag’ of ‘afhellend’ en is het een ondiepe put, inzinking of afzakkend terrein. Hij legt een verband met het ww. ‘dompelen’ voor terreinde­pressies in de direkte omgeving van beken en moerassen, die periodiek overstroomden: een moerassige terreindepressie als tijdelijk ‘ondergedompeld’ land.

 

Gijsseling 1954:100; Bach 1953 dl.2:291; Buiks 1986 dl.9:40; Buiks 1990:140; Moerman 1956:53; Schönfeld 1950; Gijs­seling 1981:75; v.Osta 1991:87 - 115; Helsen 1978­:37.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

in den Doornhoek

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Hofstad met toebehoren ter plaatse genaemt den Doerenhoek [GZG-3246 (1591)]

 

de hemel in doornhoek [Hs- (1682)]

 

een hoeve groot in teulland metten hoff en boomgard, groes en houtwas thien loopense en in hoyland een karre hoijgewas gelegen aan den Dorrenhoek [HH-163 (1714-1783)]; 't rot den Doornhoek [GVIIB26 (1787)];

 

de Doomhoek [kad. (1832)]; E 130-202.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend onder Zijtaart.

 

Allerlei bomen en struiken konden als grensaanduiding en perceelsafsluiting dienen, maar zeker is er geen geschikter dan de doornstruik (hagedoorn) die dan ook op grote schaal als zodanig gebruikt werd (M. Schöfeld, Veldnamen in Nederland 1980 -139); Misschien is hier sprake geweest van een perceel voorheen bos, omgeven met doornhagen, of van een dergelijk perceel nabij een bos. Het eerste lid kan wellicht ook verwijzen naar de eigenaar (van Doorn).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 5-8, 11-19

Opmerkingen:

 

Mogelijk verwijst de naam naar doornstruiken op de woeste gemene gronden. Een groot gedeelte van dit gebied is pas na de middeleeuwen in cultuur gebracht.

 

 

 

 

Naam:

 

aan de Leest

Vermeldingen door Cornelissen:

 

over de brugge aan de leest [Hs- (1539)]

 

over de brugge aan de leest [RAVI57-67v (1690)]

 

't rot de leest (dijk naar rode) [GVIIB26 (1787)]

 

de leest [kad. (1832)]; D 545-645, 648-708

 

de leest, op de leest [N (1871)]; D 642-647 (b en w: 18.45).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied, omsloten door de huidige weg de Leest, de Zuid- Willemsvaart en de Violenstraat- Rembrandtlaan (vroeger oude weg naar St.Oedenrode). Tegenwoordig is het toponiem in gebruik als benaming voor een wijk die ter plaatse gelegen is. Deze omvat echter ook nog

het gebied de Bruggen en een deel van de Zijtaartse beemden, terwijl het gedeelte van de

oude Leest tussen Violenstraat en Rembrandtlaan er buiten is komen te vallen.

 

Leest als kollektief van "lese" (De Bont -180). "Lese" 1) spoor, groeve, vore (Verwijs en Verdam 388).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 2, 7, 11, 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Leesten Binnenacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Binnenacker [GVEI2-187 (1777)].

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nr. 8

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Oude dijk naar St. Oedenrode

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Op den ouden rooysen dijk [GVIIB26 (1804)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Welk gedeelte de benaming Oude Rooisedijk droeg is niet bekend. Benoeming naar het

(vroege) tijdstip van aanleg/ingebruikname.

Ligging:

 

Perceel nr. 1 grensde aan de Oude dijk naar St. Oedenrode

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

op Citard, Sijttard

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Gelegen aldaar in zontvelt en zittart [HGB-407 (1356)]

 

ad locum dictum zitert [Hs- (± 1385)]

 

huis, erf, hof en een stuk land daaraan liggend, 2% lopensz. ter plaetse genaemt op zitart [GZG-1225 (1466)]

 

zijtart [GVE2-39 (± 1500)]

 

aent sytart [Hs- (1519-1538)]

 

een stuck landts den sijttart [GSO-262 (1617)]

 

den ecker opt zijtert neffen marten donckers lant [GVE15-65 (1624)]

 

op citart (citart) [GVE2-224 (1702)]

 

landerijen in vechel en twee hoeven in zyttert [Hs- (1747-1794)]; het seitaart [N (1852)]; D 743 (b: 05.70), 753 (b: 44.50), 755 (b: 48.30), 760-780 (hu: 06.00; b: 2.56.50; ho: 5.81.10), E 524-534 (b: 3.49.10; w: 2.15.30; og: 83.90; hu: 12.30; tu: 06.50; bg: 30.20); 536-540 (b: 2.67.20; w: 1.08.40), 569 (bh: 2.22.40), 661 (de: 1.00.90), 672, 673 (de: 3.03.30; he: 59.20), F 654 (de: 76.30).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Een der drie Veghelse kerkdorpen, zuidelijke ligging ten opzichte van de kom van Veghel;

aan de secundaire weg van Veghel naar Lieshout, tevens benaming voor een boerderij ter

plaatse. De volksetymologische interpretatie is "bezijden de aarde (de Eerde, Eerde)

(Meuwese Veghelse Courant 1954).

 

Ook Zittaart, dat we o.a. vinden in Zittert - Lummen (1132 Zetrud), te Deurne (1647

sittert) en te Rillaar (sitterstraat), zou oorspronkelijk een weidenaam zijn, als afleiding

met een verzamelsujfix van de plantnaam zegge (F. Claes, Naamk. 1987 -66).

 

Wij zien Zitterd al dan niet met paragogische konsonant, verwant met het Nederlandse

"zijde" (nhd. Seite).... De oorspronkelijke betekenis van zijde is: "het lang-gestrekte".

Franck van Wijk s. v. I zijde, zij.

 

Zitterd is dan een gesubstantiveerde eigenschap of toestand (bnw. + aard, eerd) van het type een dieperd, een dikkerd, een slimmerd. Het gehucht Zitterd onder Oerle is inderdaad een in de richting noord-zuid lang uitgestrekt gehucht. Gelet op de "eenzijdige" ligging van Zitterd, nl. aan de rechterzijde van de (thans harde) weg oerle-Veldhoven, zouden we ook met Zink, Christmann en Baets kunnen meegaan, die Zitterd laten teruggaan op "Sit(w)ert", "seitwärts gelegener Gemarkungsteil". Maar ook dan is (en blijft) het grondwoord Nederlands zijde (nhd. Seite). (De Bont Dialekt Kempenland. Geografische namen -222-223).

 

Ook het Veghelse Zijtaart is een lang uitgestrekt gehucht en eveneens is het gelegen aan een zijde van een weg, nl. de weg Veghel-St.Oedenrode. Een uitgebreide bespreking van het toponiem Sittard en verwante vormen is te vinden in Naamkunde 6e jaargang 1974 afl. 1-4, pg. 51 tlm 87.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Rond de verklaring van dit element zijn diverse hypothesen ontwikkeld, waarvan er geen enkele overtuigend is.

 

Er is gedacht aan een afleiding van het mhd. ‘sitwert’, zijwaarts gelegen op een berg­helling. Anderen geven de voorkeur aan een afgeleide vorm van * setr + öd in de betekenis van zomerweide voor het vee, ook runderstal en als collectief: verzameling van runderhutten.

 

Lindemans gaat uit van ‘seiruth’ < ofra. seiture of het mlat. seitura of segatura van het lat. ww. secare = maaien; het zou dan gaan om een gemeenschappelijke maaiweide, vergelijkbaar met ‘dagmaat’, wat men in één dag zou kunnen maaien.

 

Dittmaier lanceert een betekenisverwantschap met ‘Sonder/Sunder’ = afgezonderd gebied, ontwikkeld vanuit het mlat. secretarium = afgezonderde ruimte. De eind-t zou dan een overblijfsel zijn van het grondwoord -rod = rooiing. Dan krijgt het woord de betekenis van ‘een met het doel van rooiing afgezonderd deel van het woud’.

 

Gijsseling ziet er een afleiding in van het germ. * sigidrôpu, een kollektief bij * sigidra = plaats waar zegge groeit.

 

Moerman 1956:209; Helsen 1978:130; Lindemans 1948:106; Ditt­maier 1953:287; Gijsseling 1960; Knippenberg 1951:20; Schönfeld 1980:24,104,174; de Bont 1969:222.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 5

Opmerkingen:

 

De verklaring van Cornelissen overtuigt niet, omdat Zijtaart in de middeleeuwen niet langs de weg Sint-Oedenrode Veghel lag, maar de naam was van een paar boerderijen, later gehucht, aan de huidige Leinserondweg.

 

Oude schrijfwijzen zijn onder andere: Zitert (1385), Zitart (1466), Sijttart (1617), Zyttert (1747-1794) en Seitaart (1852).

De naam komt in meer plaatsen van Nederland voor, zoals in:

-         Limburg, het stadje Sittard (vermeld in 1147 als Sitter)
-         In Vught (De Sittard in 1832, enkele percelen langs een oude maasarm)
-         In Deurne (veldnaam Sittert in 1647)
-         Het gehucht Zitterd onder Oerle (Zittert in 1340)

De naam van het stadje Sittard in Limburg zou afgeleid zijn van Siter, van het Oudhoogduitse sîte, hoogte of berghelling, en de plaats lag dan ook op een hoogte. De nederzetting is ontstaan in de Karolingische tijd, tussen 700 en 1000. Het Veghelse Zijtaart lag niet op een berghelling. Als de naamsverklaring van Sittard klopt, dan hebben Zijtaart en Sittard niet dezelfde oorspronkelijke betekenis. Dat hoeft ook niet, al lijken de namen veel op elkaar.

In 1340 wordt het gehucht Zittert ten zuiden van Oerle vermeld. Als verklaring van deze naam wordt gegeven: Sitwert = zijwaarts. Het gehucht ligt zijwaarts van de weg Oerle - Veldhoven. Cornelissen vond dat een aannemelijke verklaring voor Zijtaart: gelegen zijwaarts van de weg Veghel – Sint-Oedenrode. Ik geloof het niet, want het oude Zijtaart was slechts een klein gebied langs de Valstraat en dat lag niet langs de weg Veghel – Sint-Oedenrode. Ook de verklaring van wijlen de Erpse pastoor Meuwese ‘bezijden de aarde (Eerde)’ is om dezelfde reden ongeloofwaardig. Ook de verklaring ‘zijwaarts van de Valstraat’ overtuigt niet.

In de literatuur wordt de naam Sittert ook verklaard als een afleiding van de plantnaam zegge met een verzamelsuffix (toevoeging –t). Zegge is een gras- of rietsoort. De plant komt voor op natte grond langs bronnen en beekjes in loofbossen. Deze verklaring past wel in de geografische gesteldheid van het oude Zijtaart. Dat lag in een drassige omgeving en oude veldnamen in deze omgeving (zoals Loo acker, ter Eijken, Perlaar, Bobbelaar en Keselaar) wijzen er op dat hier langs de Aa in de Late Middeleeuwen nog bos was. Deze ligging is vergelijkbaar met De Sittard in Vught, dat langs een oude maasarm lag. Maar misschien betekent de naam Zijtaart iets heel anders?

 

 

 

 

Naam:

 

Valstraet

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Uuyt eenen ecker in die valstraat gelegen dat nu gilt hanric willemsoen van tillaer [GVIE2 (1427)

 

valstraat in Keselaar [Hs- (1682)]

 

beemt en hoy in de valstraet op zijtaert [GVE12-177 (1778)]

 

de valstraat (nu sluisstraat, de leest) [kad. (1832)]; D 1 (bo: 49.90)

 

de valstraat Gieliskamp [N (1861)]; E 392 (b: 43.20)

 

in de valstraet ter plaatse genaemt keselaar [N (1883)]

 

de valstraat [V.-]; D 417, 418 (bo” 79.20), E 415, 456 (b: 81.40)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Dit is de oude benaming voor de weg naar Zijtaart, te beginnen bij de huidige Sluisstraat, die via het gebied de Leest naar de Hostie onder Zijtaart liep. Wellicht geeft deze benaming aan dat de betreffende weg vanaf het wat hooggelegen gebied de Hostie in de richting van Veghel in hoogte afnam.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Vermoedelijk verwijzend naar een valhek of klaphek, alhoewel de betekenis van een lichte helling niet uitgesloten is. Zo zou het toponiem Valsteeg verklaard mogen worden als plaats die aan een helling [val] ligt. (Schönfeld 1980:43; v.Berkel & Samplonius 1989:185.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 7, 8 en 10 grensden aan de Valstraet

Opmerkingen:

 

De cijnsregisters van Helmond geven als oudere vorm "Valsce straat". Kennelijk was de oorspronkelijke naam 'Valse Straet', ofwel 'slechte straet'.

 

 

 

 

Naam:

 

in die Vuytcampen aen de Heyde

Vermeldingen door Cornelissen:

 

(U)uytcampen, dorhout [Hs- (1532)];

 

de boschkamp in ruybroek in uuytcampen [Hs(1539)];

 

zijn moeders hoff ende lant bij thuys in de uuytcampen [GVE15-132 (1624)];

 

vossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden [GVIIE13 (1792)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Benoeming naar de afgelegen ligging.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 5, 7, 9

Opmerkingen:

 

Er zijn in Veghel twee gebieden die “Uitkampen” genoemd werden. Een deel van het Dorshout en het gebied tussen de Doornhoek en de Biezen. Het laatste gebied werd wel aangeduid als “in die Vuijtcampen aen die Heye”. Het betreft klampen of percelen die aan alle kanten door de gemene gronden omgeven waren. Ze waren overigens niet afgelegen. Ze lagen niet ver van de andere huizen en cultuurgronden.

 

 

 

 

Naam:

 

int Wielroot, Wielrat

Vermeldingen door Cornelissen:

 

 

Hulsberdonc nabij dat wielrot [GZG-272 (1396)]; brace sita in wilrot [HHI27-1 (14061421)];

 

in loco dicto int wyelrot [Hs- (1440-1445)];

 

int vielroth [Hs- (1519-1538)];

 

de whyel (wiel) in wielroth [Hs- (1540)];

 

zijn lant int wilre [GVEI5-77 (1624)];

 

een stuck lants int wilroot [GVEI5-119 (1624)];

 

uijt huys hoff en aangelach in wilroet [HHI63-17 (1714-1783)];

 

wielrot, wiel waarin vlas te roten of rotten werd gelegd? in de doornhoek, nu niet meer bekend [Mv- (1954)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging onder Zijtaart in de Doornhoek (Meuwese) of niet ver van het Akert

(zie wielrotse hoef). Mogelijk een tautologische samenstelling van wiel en "root", kuil

waarin vlas te roten werd gelegd (zie root) (Meuwese). Of van "root" gerooid bos (zie

root), gerooid bos bij een wiel.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Veelal voorkomend in namen als Rootven en Rootvlaas. Men bedoelt dan de poelen en vennen waar voorheen het roten van het vlas plaats vond. Ook bestaan namen als Vlasmeer en Vlasroot. Dit roten gebeurde ver buiten de bewoning vanwege de grote stankoverlast.

 

Hoe het roten in de Meierij gebeurde verhaalt Iterson: ‘Na het repelen schift men het vlas eenigszins naar de lengte en bindt het, niet te vast, in kleine bossen en deze gaan groen in de ‘rot’. Tot het ‘rotten’ of ‘rooten’ dient meestal een of andere sloot, bij voorkeur eene onder elzenhout gelegene, omdat elzenblad gezegd wordt gunstig te werken op de kleur van het vlas. Enkele malen komen rotkuilen voor en dikwijls brengen landbouwers hun vlas naar de, als goed bekende, rotplaats bij vrienden, als in hunne buurt geen of slecht water (bv. ijzerhoudend) is. Daar gewoonlijk de diepte der rotplaats onder water te gering is om het vlas regtop te zetten, wordt dit met zoveel mogelijk schuins daarin gelegd, met den top naar boven. Men bedekt het vlas in de kuil met staken (liefst elzen), werpt daarop modder of zoden en laat het vlas 7-12 dagen in de ‘rot’, welke tijd echter afhangt van den uitslag van een door de landbouwer gedurig herhaald onderzoek naar de vordering der rotting, die eer wat bekort dan te lang moet worden. Daarna worden de bundels overeind gezet, digt bij de rotplaats, op korten gras - of klaverstoppel. Als het vlas eenigszins uitgelekt is, dan worden de banden los gemaakt en het vlas in dunne lagen over het (nooit kort te voren bemest) land gespreid om in daauw ‘rotting op de sprei’ verder te rotten ‘.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 10, 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Wielrotse tiende

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Bontwerkersakker in wielrothse tienden [RAV25-135v (1547)];

 

wielrothse ofde wilrootse tiende in de doornhoek niet meer bekend [Mv- (1954)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging, wellicht globaal overeenkomend met wielrot, volgens Meuwese in de

Doornhoek onder Zijtaart. Benoeming naar de ligging.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 5, 10-12

Opmerkingen:

 

Voor de ligging van deze tienden zie de toelichting op de tiendkaart.

 

 

 

Naam:

 

Zuid-Willemsvaart

Vermeldingen door Cornelissen:

 

-

 

Verklaring door Cornelissen:

 

-

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 12a en 13 grensden op 23-10-1823 aan de Zuid-Willemsvaart.

Opmerkingen:

 

Wikipedia: De Zuid-Willemsvaart is een kanaal genoemd naar koning Willem I onder wiens bewind en op wiens instigatie het kanaal tot stand kwam, als alternatief voor de Maasroute. (..) Onder koning Willem I werd door middel van een uitgebreide kanalenaanleg actief geprobeerd de verkeersverbindingen te verbeteren en zo vooral het handelsverkeer in de noordelijke Nederlanden te doen herleven. De Zuidelijke Willemsvaart was bedoeld om het Luikse industriebekken en de Noord-Nederlandse handelssteden te verbinden en een betrouwbaar alternatief te bieden voor de Maasvaart. De ontsluiting van het tussengebied was geen belangrijk uitgangspunt: het kanaal ging bijna overal aan de bestaande bebouwing voorbij. Voor het tracé viel de keuze in Noord-Brabant uiteindelijk op het Aa-dal. Deze rivier kruist dan ook op diverse plaatsen het kanaal. In 1821 viel het besluit tot de aanleg. Op 1 juli 1825 kwam het gedeelte van’s-Hertogenbosch tot Helmond gereed en in 1826 volgde de openstelling van het verdere kanaal voor zover het toen gereed was, tot Maastricht. De doortrekking tot aan Luik vond pas na de Belgische afscheiding plaats. Het kanaal kreeg bij de officiële begin van de werkzaamheden, op 11 november 1822, de naam Zuid-Willemsvaart, mede ter onderscheiding van een kanaal in Drenthe. Er is ook nog een derde Willemsvaart in Zwolle.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Wielrot